Ik kijk nooit in de spiegel,
ik waai tevree met alle winden mee.
De zon verdroogt me soms tot op het bot,
of beter tot elke vezel in mijn tengere lijf
om water smeekt en schreeuwt.
Soms regent het dan
Zoveel en hard
Dat ik zowat verzuip
En diep koppie onder
In mijn eigen modder kruip.
Dan is er de sneeuw
die mij ijselijk toedekt,
kleumende wortels in de koude vriesgrond.
En toch,
Ik veer weer op
Steek mijn kop boven het maaiveld.
Buigzaam, soepel, ijzersterk
Groen ik mijn eigen veld.
Jaar in jaar uit, vanzelluf.
“Mij niet bellen” voor round up
en ander geweld.
Het gras groeit groener als je het laat.